Een jaar of 15 geleden, probeerde ik te leren mediteren. Bij ’n man over wie ik sindsdien veel geschreven heb. En dat binnenkort weer ga doen (er over schrijven, want ik heb ‘r wel wat over te vertellen – over die man en wat-ie me leerde).
Ik zou 1 week gaan, naar Parc du Silence, maar bleef er 6. Het was ’n omwenteling in m’n leven, en ik leerde er (ook via-via) talloze wijze en liefdevolle mensen kennen. Tot op de dag van vandaag voel ik me daar nog gezegend mee.
Ging die omwenteling helemaal de juiste kant op? Ja. En nee. Het is maar hoe je ’t bekijkt. Er is geen goed, er is geen fout.
Er is.
Gewoon. Niks meer, niks minder.
Dat mediteren? Dat was ’n lastige. Voor m’n hoofd. En voor de man. Wekenlang zat ik ‘s ochtends bij de opkomende zon om 05:00
op ’n berg in Frankrijk, op ’n porseleinen Chinese krukje. Te denken dat ik gek werd, omdat ik m’n gedachten maar niet stil kreeg. Of niet tussen/achter de woorden kwam.
In de laatste week zei Lo Tor (zo heet de man) “pak jij de katana maar uit m’n kamer boven en ga bamboe hakken”.
Dat bleek voor mij – als (…kuch…) krijger pas écht de manier om m’n gedachten te stoppen, mijn hoofd leeg te krijgen.
Dus… eergisteren had ik m’n tweede les. In Japanse zwaardvechtkunst. Eens moet je beginnen, namelijk. Met wat je al zo lang wilt. Ik doe dat bij Kochōkai, in Haarlem, onder de – letterlijk – bezielende leiding van Arjan Tervoort. En als ’t goed is (en als ik ’t volhoud) dan word ik uiteindelijk getraind in Kenjutsu, Laihyōdō en Tameshigiri.
Los van de intelligente mensen, de kleine groep, de filosofische discussie tijdens de theepauze (dit keer over het Japans schrift en dyslectici en mensen in het Autisme Spectrum Stoornis – helemaal mijn ding dus: taal & neurodivergentie), geniet ik er enorm van.
Het gaat over alles wat ik nodig heb.
Discipline.
Structuur.
Rituelen.
Kadans.
Meesterschap.
Leerling-Zijn.
En nóg belangrijker: Balans. Stevig staan in je eigen cirkel. Jezelf als eerste beschermen en prioriteit geven. Focus. En doortastendheid. Beslissen, op ’t juiste moment.
Ik geloof dat ik – eindelijk – een hobby gevonden heb. Die me als mens ook nog wat brengt. Eén van de mooiste lessen afgelopen week, is ’n bekend Japans spreekwoord: “Het verschil tussen leven en dood kan 3 centimeter zijn”.
Het verschil in lengte van ’n zwaard, rechtop blijven staan of uit balans raken, de haalbaarheid van ’n slag of ’t wegduiken van ‘de lijn’ en éérst jezelf in acht nemen. Die laatste raakte me ’t meest – figuurlijk.
Ik kreeg ook, omdat ik er voor de 2e keer was, mijn naam op m’n vooralsnog (spier)witte band. ‘Herbert’ staat er. Wat ik eigenlijk altijd ’n beetje ’n stomme naam vond.
Behalve in ’t Japans. Dus.
PS: Net als bij auto’s, colbertjes en horloges hou ik hier ook van ‘vintage’. En van écht. Dus als iemand over 10 weken nog ’n échte Katana voor me te koop heeft (en ’n Wakizashi, natuurlijk), dan hou ik me aanbevolen. Ik hou me sowieso altijd aanbevolen – voor Alles.